“In Nederland zouden we meer open moeten staan voor de culturele inbreng van Vlaamse vertalers. Want achter die ‘rare’ woorden gaat een rijke cultuur schuil. Ik wil er nadrukkelijk niet voor pleiten dat fouten tegen het Nederlands worden goedgepraat, maar ik pleit er wel voor dat literaire uitgevers en collega-vertalers in workshops toleranter worden ten aanzien van Zuid-Nederlandse varianten [eigen nadruk]. (Schyns, 2002, p. 39)”

“De meeste Nederlanders weten weinig of niets van deze historische ontwikkelingen. […] Het is schrikbarend hoe weinig sommige Nederlanders weten van hun zuiderburen [eigen nadruk], van de taal die ze spreken en het land waarin ze wonen. Voor sommige Nederlanders is België verder weg dan Italië. (Schyns, 2002, p. 41)”

“Hoewel Vlamingen een zeer rijke woordenschat hebben, staan Nederlanders daar zeer gereserveerd tegenover. Heel gauw noemen ze iets plechtig dat voor een Vlaams oor heel gewoon is. Nederlanders zouden wat mij betreft ten aanzien van die woorden toleranter mogen worden en niet meteen op tilt moeten slaan als ze een Zuid-Nederlandse variant horen, of lezen in een vertaling [eigen nadruk].”

BRON: Schyns, D. (2002). Wie heeft er schrik van Zuid-Nederlands? Pleidooi voor een tolerantere houding ten aanzien van Zuid-Nederlandse taalvarianten. Filter. Tijdschrift over vertalen, 9(4), 37-45).

Een mooi standpunt. Ik vraag me alleen af waarom Schyns het hier over “Zuid-Nederlandse varianten” en “een Zuid-Nederlandse variant” heeft. Hoeveel “Zuid-Nederlandse varianten” zijn er dan? En vooral: welke “varianten” bedoelt ze? In hetzelfde artikel schrijft ze: “We moeten in Nederland niet denken dat er in het Zuiden een verzameling dialecten [eigen nadruk] wordt gesproken (Schyns, 2002, p. 44)”. Hiermee lijkt ze dus het bestaan van de (of “een”?) Belgisch-Nederlandse standaardvariant te erkennen en wat verder schrijft ze ook: “Vlaamse vertalers voldoen misschien niet aan de ‘randstadnorm’, maar wel aan de eisen van het Standaardnederlands. [eigen nadruk] (Schyns, 2002, p. 44)”. Wanneer we het over een taalnorm voor het hele taalgebied hebben, kan toch enkel “het” Standaardnederlands in aanmerking komen en niet “een van de” varianten?

Misschien moet er dringend onderzoek gedaan worden naar “het Belgisch-Nederlands”, bij mijn weten werd er tot op heden enkel over de “tussentaal”, het “verkavelingsvlaams”, gekibbeld en spreken neerlandici elkaar tegen wanneer het over een (de?) Belgische standaardvariant gaat: bestaat ze of niet?
Anders dan bij het zogenaamde “verkavelingsvlaams”, de informele Belgisch-Nederlandse omgangstaal (spreektaal dus), dat volgens velen niet “bovengemeenschappelijk” (de term “bovengewestelijk” zou zich tot het Vlaams Gewest kunnen beperken en zo het Brussels Hoofdstedelijk Gewest – waar ook nog altijd Nederlands gesproken wordt – kunnen uitsluiten) en homogeen (genoeg) is, is men het er in elk geval wel over eens dat de standaardisering van de Belgisch-Nederlandse schrijftaal “geslaagd” is (cfr. Cajot in Ons Erfdeel 2010(1)).