“Wie het principe van de standaardtaal zelf aan de
kaak stelt begaat een donquichotterie die in de hedendaagse verhoudingen in
uitgeefland alleen maar zou leiden tot nodeloze conflicten en frustraties. Maar
als het de bedoeling is dat Vlamingen van hun objectieve handicaps [eigen nadruk] troeven
maken, dan kan het geen kwaad dat ze zich een
genuanceerd beeld vormen van de beperktheid van sommige Noord-Nederlandse
taalconventies
. [eigen nadruk] Alleen dan kunnen zij duidelijk maken dat hun eventuele
gebruik van afwijkende, gewestelijke wendingen geen zwaktebod hoeft te zijn
maar een keuze is: alleen dan kunnen zij de confrontatie met de
normaliseringsreflexen van correctoren, persklaarmakers en redacteurs
zelfbewust aangaan. (Hofstede, 2007, p. 15)”

BRON: Hofstede, R. (2007). Het gebod van Bernlef. Filter. Tijdschrift over vertalen, 14(2), 13-15.

“Objectieve
handicaps”? Indien dit slaat op ons taalgebruik (en niet het taalprestige
van onze taalvariant) vrees ik dat zulke woorden uit Nederlandse mond weer eens
ongelooflijk pedant overkomen. Spijtig, aangezien Hofstedes (Nederlandse) standpunten (cfr. “de beperktheid van sommige Noord-Nederlandse taalconventies”) verder niet eens zo slecht zijn. Hoewel het bovenstaande wel doet vermoeden dat
het Belgisch-Nederlands enkel als “exotisme” in de Nederlandstalige (vertaalde) literatuur geapprecieerd kan worden.

Hoe langer hoe
meer lijkt de vertaalwetenschappelijk theorie over postkolonialisme en de (on)macht
van de vertaler (cfr. Tymoczko, Gentzler,…) ook verdacht toepasbaar op ons vertaalgebied
te worden: “differences in cultural power and prestige manifestly affect every level of choice in translation” maar ook – en dat lijkt me misschien wel het grootste probleem: “the postcolonial case studies I have explored
indicate that self-censorship is even more operative than institutionalized
censorship […] This type of self-censorship in translation can be analyzed as
a form of hegemony, where it involves the translators acceptance of dominant
values in hopes of putative benefits (for example, the use and approval of the
translation by a dominant audience or an audience not engaged in cultural resistance);
in such situations the translator becomes the classic subaltern. (Tymoczko,
2007, S. 199f)”

Waarde
noorderbuur, waar zijn die windmolens?